Betonrot in de media

VVOJ Essay

Betonrot in de media; de opmars van de onderzoeksloze journalistiek. Dat is de titel van het VVOJ Essay 2017, dat werd gepubliceerd tijdens #VVOJ17. Bas Haan, onderzoeksjournalist bij Nieuwsuur, schreef het.

In zijn betoog wijst Haan op een onbedoeld neveneffect van de groeiende waardering voor onderzoeksjournalistiek: ‘Door het belang van onderzoeksjournalistiek te benadrukken, wordt het steeds normaler dat er ook journalistiek bestaat waaraan geen onderzoek voorafgaat. Het definiëren van het één – onderzoeksjournalistiek – definieert automatisch het andere: de niet-onderzoeksjournalistiek. Dat is de betonrot van de journalistiek.’

In het VVOJ Essay wordt ons vak, de onderzoeksjournalistiek, kritisch bekeken. Hoe staan we ervoor? Wat zijn relevante actuele ontwikkelingen en welke lessen kunnen we daaruit trekken? Een reeks toekomstgerichte beschouwingen, waarin de maatschappelijke rol van de onderzoeksjournalistiek centraal staat. En waarmee de VVOJ wil bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het journalistieke denken.

Bas Haan presenteerde het eerste exemplaar van zijn essay aan Marjan Agerbeek en Dick van Eijk, vijftien jaar geleden twee van de oprichters van de VVOJ. Samen met Vincent Dekker en Jacqueline Wesselius ondertekenden zij op 26 februari 2002 de oprichtingsstatuten van de vereniging. Agerbeek was de eerste VVOJ-voorzitter.

NRC Handelsblad publiceerde een verkorte versie van het essay in het opiniekatern van de zaterdagkrant. Die versie staat hieronder.
VVOJ-leden die niet bij #VVOJ17 waren en het essay dus niet konden meenemen, krijgen het in december thuis in de bus. Niet-leden kunnen het bestellen door €5 over te maken op bankrekening NL61 RABO 0334 4889 07, t.n.v. VVOJ Amsterdam en onder vermelding van ‘VVOJ Essay 2017’.

 

Niks #ophef! Laat journalistiek zich aan feiten houden

Het is gevaarlijk dat journalisten en politici zich steeds vaker laten leiden door emoties en feitenvrije meningen, betoogt Bas Haan. Het maakt media medeplichtig aan misleidende beeldvorming. En ‘constructieve’ journalistiek is geen remedie.

BAS HAAN

Onderzoeksjournalistiek is populair. Sinds de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten stijgen de oplagen van Amerikaanse kwaliteitskranten. Die kranten investeren in onderzoeksjournalistiek en dat wordt blijkbaar gewaardeerd.

In Nederland benadrukken mediavertegenwoordigers, van uitgevers tot publieke omroepbazen, de fundamentele rol van onderzoeksjournalistiek, omdat dit het beste en meest logische antwoord is op het oprukkende fake news, of liever gewoon nepnieuws.

Het bestaansrecht van journalistiek ligt nu eenmaal in de feiten. Feiten die je als journalist maar op twee manieren kunt blootleggen: door ergens zelf bij te zijn, zodat je uit eigen waarneming verslag kunt doen, of door middel van onderzoek. Dat onderzoek onthult feiten die anders onbekend waren gebleven, omdat autoriteiten ze verborgen probeerden te houden. Of het brengt feiten aan het licht die nog niemand kende, omdat het belang ervan niet werd ingezien.

Maar deze journalistieke basishouding is binnen het nog steeds verder uitdijende aanbod van media een bijzonderheid aan het worden. En al roepen steeds meer bestuurders dat onderzoeksjournalistiek belangrijk is, daarmee is het nog geen gemeengoed. Alleen de grote redacties van enkele landelijke kranten en achtergrondprogramma’s op radio en tv kunnen het zich nog veroorloven te investeren in onderzoeksteams. Daarbuiten is kritische nieuwsgierigheid allang niet meer vanzelfsprekend, op uitzonderingen zoals Follow the Money na. Veel te vaak stellen media voorafgaand aan een publicatie geen kritische vragen, maar kiezen ze de makkelijkste weg. Vaak komt het er dan op neer dat iemand een spraakmakende mening mag verkondigen, liefst verontwaardigd, bij voorbaat boos. Hoe heftiger hoe beter. Het is journalistiek die niet gedreven wordt door vraagtekens, maar door uitroeptekens.

Paradoxaal genoeg zet de hernieuwde focus op onderzoeksjournalistiek juist de deur wijder open voor die uitroeptekenjournalistiek. Door het belang van onderzoeksjournalistiek te benadrukken, wordt het steeds normaler dat er ook journalistiek bestaat waaraan geen onderzoek voorafgaat. Het definiëren van het één – onderzoeksjournalistiek – definieert automatisch het andere: de niet-onderzoeksjournalistiek. Dat is de betonrot van de journalistiek. Want journalistiek zonder onderzoek bestaat niet, althans zou niet mogen bestaan. En dat onderzoek hoeft echt niet altijd weken te duren, soms volstaan drie telefoontjes met de juiste kritische vragen bij een persbericht.

Het accepteren van journalistiek zonder onderzoek verheft journalistiek als doorgeefluik van meningen tot norm. Het resultaat daarvan is vervlakking van de journalistiek in het algemeen. Feitenvrije journalistiek.

Tegelijkertijd toont ook de politiek een steeds geringer respect voor de feiten. Ministers en de premier zoeken in debatten niet zelden ongegeneerd hun toevlucht tot leugens om een zelfgekozen beeld of verhaal overeind te houden. Feitenvrije politiek dus. In De rekening voor Rutte, mijn reconstructie van hoe het kabinet Rutte II structureel Kamer en publiek voorloog in de nasleep van de bonnetjesaffaire over de Teevendeal, concludeerde ik daarover: „Door feiten ondergeschikt te maken aan het gewenste beeld en door de bereidheid daarvoor bewust de waarheid te verzwijgen en erover te liegen, geeft het kabinet het signaal dat feiten er niet meer toe doen. Als feiten er niet meer toe doen, gaan emoties overheersen en kan de leugen hand in hand met emoties als angst regeren.”

Feitenvrije journalistiek en feitenvrije politiek versterken elkaar. Feiten worden meer en meer ondergeschikt aan de verzonden boodschap en het effect dat ermee bereikt wordt. Een mening volstaat.

Dat leidt soms tot absurde situaties. Toen talkshow-sidekick Johan Derksen twee jaar terug in het wilde weg wat riep over Marokkanen op het voetbalveld, leidde dat tot zo veel ‘nieuws’ dat premier Rutte er in zijn wekelijkse persconferentie uitgebreid op inging. Een maand later kwam de premier er op een partijcongres nog veel uitgebreider op terug, ongevraagd, om er een politiek punt mee te scoren, dat in vrijwel alle media breed werd uitgemeten. Zo promoveerde de verbale oprisping van een talkshow-sidekick razendsnel tot de basis voor een politiek speerpunt van onze premier.

Eind vorige eeuw interviewde ik voor mijn afstudeerscriptie de postmoderne filosoof Jean Baudrillard (1929-2007). Hij had de simulacrumtheorie geïntroduceerd, waarin het beeld het definitief wint van de werkelijkheid. Ik sprak hem over zijn boek over de Tweede Golfoorlog, waarin CNN en andere media live met beelden van ‘smartbombs’ 24 uur per dag een schone en perfecte oorlog aan het televisiepubliek presenteerden. Na het tijdperk van ‘the medium is the message’ (Marshall McLuhan) en ‘amusing ourselves to death’ (Neil Postman), zouden we terechtkomen in de hyperrealiteit van de simulacra: beelden zijn niet alleen sterker dan de werkelijkheid, ze vervangen de werkelijkheid. Het zijn kopieën zonder origineel. In zo’n wereld zijn feiten overbodig geworden. De werkelijkheid is irrelevant en hoeft dus ook niet meer gerepresenteerd te worden. Beeld en mening volstaan, over wat dan ook, los van enige feitelijke onderbouwing.

Baudrillard krijgt postuum met de dag meer gelijk. En daarvoor hoeven we niet alleen naar het Amerika van Donald Trump te kijken, waar de president vrijwel dagelijks bewijst dat feiten er niet toe doen. Feiten maken als basis van nieuws steeds meer plaats voor meningen en beeldvorming. Toen Geert Wilders in 2004 uit de VVD stapte, deed hij dat vanuit de overtuiging dat Turkije nooit tot de EU zou mogen toetreden. Een typisch voorbeeld van een politiek relevante opvatting, die natuurlijk nieuws was. En die uiteindelijk ook – door een inhoudelijk meningsverschil op basis van feiten – leidde tot Wilders’ afsplitsing van de VVD en het ontstaan van de PVV. Wilders werd hierover door journalisten bevraagd en gaf zijn antwoorden. Politiek en journalistiek zoals ze bedoeld zijn.

Inmiddels bereikt Wilders zijn kiezers vooral via Twitter en geeft hij uitsluitend interviews als hij een specifieke boodschap wil verkopen. De belangrijkste boodschap die Wilders via de (sociale) media verspreidt, is feitelijk geen nieuws meer. Het is zelfs nauwelijks nog een mening, eerder een gebod, een slogan: ‘Stop islam’. Onlangs koppelde hij hieraan als mening „islam is wat mij betreft geen religie”, gevolgd door een opiniepeiling die „aantoonde” dat een meerderheid van Nederland vindt dat de op een na grootste wereldreligie geen religie is. Alsof je peilt wie vindt dat water niet nat is.

Wilders twitterde de uitslag van de ‘opiniepeiling’ in het Nederlands en in het Engels: „Dutch poll Telegraaf newspapers. Almost 3000 people responded: 66% agree: Islam is NOT a religion.” In diezelfde periode gaf hij een van zijn spaarzame interviews aan De Telegraaf en was een documentaire over hem op televisie en online te zien.

Dit toont hoe feitenvrije politiek en feitenvrije journalistiek elkaar versterken en in stand houden. Het is uitroeptekenpolitiek en uitroeptekenjournalistiek op basis van feitenvrije emoties. Journalistiek dus als doorgeefluik van meningen, angsten en andere emoties. #ophef.

Het is deze emotie waar kijkers, lezers en luisteraars volgens de media in groten getale op zitten te wachten – en die dus geleverd wordt, vermomd als nieuwsfeit. Zo’n onderwerp is dan ‘urgent’, ‘het gesprek van de dag’, ‘wat de mensen willen weten’. Het zijn daarmee ook dankbare onderwerpen voor politici om hun kiezers mee te bedienen.

Als je daar als journalist feiten tegenover stelt, krijg je onherroepelijk het verwijt om je oren dat jij ‘de feiten niet wilt zien’ – Baudrillard zou ervan genieten. Het beeld, de ophef, is definitief verworden tot een sterker ‘feit’ dan de echte feiten.

Dit is ook het mechanisme dat schuilgaat achter de beschuldigingen van Trump, die feitelijke onthullingen over zijn leugens afdoet als fake news, en het verklaart hoe hij er bij zijn achterban mee wegkomt. Het is ook waarom Wilders bij veel kiezers succes heeft met zijn typeringen over ‘neprechters’ en het ‘nepparlement’ – waarin hij zelf een van de langst zittende leden is (ook hier zou Baudrillard van kunnen genieten).

Geen enkele journalist is natuurlijk vies van ophef. Het is een fantastische ervaring om een verhaal te publiceren waar iedereen het over heeft. Maar dan moet die ophef wel een gevolg zijn van de feiten, gelegitimeerd worden door de feitelijke onderbouwing in het verhaal, niet door de ophef zelf.

Die ophef vormt, zowel in de journalistiek als in de politiek, een nieuwe legitimatie voor handelen. Als er genoeg ophef is, dan is het goed. Maar berichtgeving die drijft op meningen en emoties ondermijnt een van de belangrijkste taken van de journalistiek: de controle van de macht. Als journalisten de feiten en het onderzoek daarnaar te veel loslaten, worden ze automatisch onderdeel van het probleem, in plaats van de oplossing. Media worden dan onderdeel van misleidende (politieke) beeldvorming.

Daarom zien sommige journalisten de noodzaak de journalistieke werkwijze aan te passen. Constructieve journalistiek zou een methode zijn om de overspannenheid en opwinding uit de journalistiek te halen. En onlangs nog tekende een groep journalisten het manifest Naar een Verantwoordelijke Journalistiek.

Hoe goedbedoeld ook, naar mijn overtuiging is het een slecht idee ‘andere’ of ‘nieuwe’ journalistiek te gaan benoemen en bedrijven, om dezelfde reden die het een slecht idee maakt onderzoeksjournalistiek los te zien van ‘gewone’ journalistiek. Juist dit onderscheid zet de deur open voor meer feitenvrije journalistiek.

Wat de oplossing dan wel is? Gewoon, journalistiek bedrijven vanuit de primaire journalistieke beginselen. Goede journalistiek begint niet met het verlangen naar een spraakmakende onthulling. Het begint met nieuwsgierigheid. Met het vermoeden dat iets ontbreekt. Met de wens iets zelf te kunnen waarnemen. Goede journalistiek begint dus niet met het formuleren van vermoedelijke antwoorden, die dan alleen nog bevestigd hoeven te worden. Het begint met oprechte vragen.

Natuurlijk spreek ik vanuit een verwende positie bij Nieuwsuur, waar de hoofdredactie een fundamentele keuze maakt voor langdurig onderzoek. Maar ik hoop dat duidelijk is dat het me om iets fundamentelers gaat: namelijk dat journalistiek in de eerste plaats afhankelijk is van de vragen die een journalist zichzelf stelt en niet van de wensen van de publieke opinie (als dit standpunt wordt weggezet als elitair – het zij zo). Vragen stellen uit nieuwsgierigheid. Het is de simpelste, maar enige manier om journalistiek te bedrijven. Aan de wensen van het publiek voldoen kan ook tot heel mooie en nuttige resultaten leiden, maar dat heet marketing.

Wie nu ongericht media consumeert, verdrinkt in de bagger. Maar ik eindig positief. Want wie bereid is te zoeken naar echt mooie journalistieke producties, kan meer vinden dan ooit. En die producties doen er meer toe dan ooit. Want als het je lukt om als journalist echt iets bloot te leggen, breek je door die berg nepnieuws en meningen heen. Dat wordt beloond. Ik heb zelf ervaren rond de Teevendeal hoe mooi dat is, en zie het gebeuren bij bijvoorbeeld de miniredactie van Follow the Money. Het is dan ook niet nodig te proberen alle media te bekeren tot onderzoeksjournalistieke titels. Het heeft wel zin om je werk goed te doen.

Als journalist heb je de luxe je leven lang als dat kleine jongetje – of meisje – in de zandbak te mogen blijven spelen en tot in den treure te blijven vragen: waarom? Gewoon, omdat je het wilt weten, uit pure oprechte nieuwsgierigheid en interesse in wat om je heen gebeurt. Om het daarna te kunnen delen met de rest van de wereld. Die daar dan misschien, in elk geval in je dromen, een stukje mooier van wordt.

© BAS HAAN – gepubliceerd in NRC Handelsblad van 4 november 2017