VVOJ2012 verslag: Charity: (not) good for you?

Conferentie

Titel: Charity: (not) good for you?
Datum: 17 november 2011
Tijd: 09:00-10:15 uur
Sprekers: Paul Van der Sneppen en Thierry Debels
Moderator: Janneke Donkerlo
Aantal deelnemers: ongeveer 20

Verslag: Dorianne Aussems

Waarom moeten journalisten goede doelen onderzoeken? Dat is de prangende vraag die de aanwezige mensen een uur lang beantwoord krijgen. Er is een enorm verwantschap tussen journalistiek en maatschappelijke organisaties. Dat is toch wat Paul van der Sneppen, freelancer met voorkeur voor financiële onderwerpen, ons probeert duidelijk te maken.

Aan het begin van zijn college legt Van der Sneppen de zichtbare verbinding tussen NGO’s en het werk van journalisten uit. Als journalist zijnde is er een algemeen belang. Wanneer er iets ten onrechte gebeurt dan is het de bedoeling dat dit aan de kaak wordt gesteld. Er is een zeker wantrouwen in fondsenverwerving en men wil dat uitklaren. Een manier om dat te doen is de leidinggevenden van fondsen hierover aan te spreken.

We krijgen een filmpje  te zien van een ervaringsdeskundige, Irene Mol. Ze beheert een filantropisch vermogen en investeert dat in maatschappelijke doelen.

Als we horen naar wat Irene vertelt merken we toch iets verrassends op.  Alle fondsenverwervende organisaties worden gecontroleerd door verschillende controleverenigingen. Een grote speler binnen dat groepje waakhonden is het Centraal Bureau Fondsenverwerving (CBF).

Het probleem dat zich stelt is dat ze tot op een zekere hoogte controleren maar daarna voeren ze het niet meer verder door. Vanaf dat fondsen het geld verder geven stopt de transparantie. Het is dus verder niet duidelijk waar de donaties terecht komen. Irene heeft het er moeilijk mee dat ze niet de hele weg van de bestedingen in het oog houden.

Nog een reden om maatschappelijke organisaties in vraag te stellen zijn de vele subsidies die de NGO’s uitgekeerd krijgen. Een aantal jaar geleden deed professor financiën en duurzaamheid Hessel Abbink Spaink onderzoek naar de weg die subsidies afleggen.

Sommigen van de NGO’s zijn in zo’n sterke mate afhankelijk van die gelden dat de vraag rijst of ze hun achterban nog wel zien. Ook is het verbazingwekkend dat een behoorlijk percentage van de NGO’s risicovol probeert te beleggen. Iets wat je niet verwacht van een organisatie die zich inzet voor goede doelen.

Het blijft echter heel moeilijk om als journalist die vermoedens bevestigd te krijgen. Vanaf je iemand van het bestuur van een NGO spreekt, wordt snel duidelijk dat ze niet graag veel info vrijgeven. Journalisten krijgen vaak commentaar dat ze alleen maar uit zijn op sensatie en grote koppen in de krant. Maatschappelijke organisaties laten tot op zekere hoogte in je kaarten kijken maar weten het spelletje op de juiste moment te stoppen.

Als je 100 euro geeft, waar komt dat geld dan terecht? Wat gebeurt er achter de schermen? Thierry Debels, Vlaamse non-fictie-auteur over financiële onderwerpen, haalt een paar voorbeelden aan die benadrukken hoe vaag het in elkaar zit. Zo haalde hij er een artikel van De Morgen bij over frauderen. Het ging om een schimmige organisatie die 7500 euro had opgebracht voor een goed doel en wat later een donatie deed van 70000 euro. Nadat je dat hoort vraag je je af of er een manier is om de transparantie, die ver zoek is, te vinden.

Hij geeft de zaal zijn drie persoonlijke bronnen mee die hij gebruikt om een bedrijf te doorlichten. Eerst raadpleegt hij het Staatsblad, dat is online te vinden en er is vaak veel uit af te leiden. Voor nog meer verduidelijking kan je de site van de Nationale Bank bezoeken. Als je dat toch niet veel verhelderende informatie oplevert is er nog de Kruispuntbank. ‘Het zijn drie heel belangrijke tools om je onderzoek mee te beginnen,’ benadrukt Thierry.

Uit de boeiende lezing kunnen we concluderen dat we niet meteen het volste vertrouwen moeten hebben in de verhandeling van donaties. Als journalist moet je op zoek naar de waarheid. Maatschappelijke organisaties moeten transparanter worden want dat komt de sector ten goede. “De vervelende vragen van onderzoeksjournalisten helpen de organisaties tot op een hoger plan,” voegt Van der Sneppen er nog aan toe.